Vanaf het moment dat we geboren worden beginnen de hersenen met het leggen van verbintenissen tussen cellen. Door middel van deze netwerken kunnen je hersenen informatie aan elkaar koppelen. Vergelijk het met het aanleggen van wegen. Wanneer je iets voor het eerst doet of uitprobeert – denk maar aan je eerste autorijles– dan voelt alles wat onwennig aan. Dat komt omdat je hersenen voor het eerst een nieuw netwerk aanmaken.
Vaak wordt gezegd dat jongeren sneller leren dan ouderen. Dat komt omdat de meeste vorming van de hersenen gebeurt voordat je 20 jaar oud bent. Daarna ligt de structuur voor een groot gedeelte vast. In de levensfase tussen de 20 en de 90 jaar verliezen de hersenen vijf tot tien procent van het gewicht. Dit zorgt ervoor dat de hersenen langzamer worden.
Wanneer je iets wilt leren of afleren, is de inzet om nieuwe netwerken in je hersenen aan te maken en/of te versterken. Hoewel geen enkel brein hetzelfde is zijn er wel factoren om op te letten en rekening mee te houden, om zo een optimaal effect van de cursus te realiseren. Bereid je hersenen voor op het leren: lees je van tevoren in en maak de huiswerkopdracht. Je zet je hersenen als het ware in de leermodes waardoor het leren makkelijker zal gaan.
Een netwerk versterken gebeurt door oefening en herhaling. Elke keer wanneer je het nieuw geleerde herhaald, wordt de verbinding tussen de hersencellen sterker. Herhaling moet plaatsvinden binnen de zes weken nadat iets nieuws is geleerd. Het leren stopt dus niet na de cursus.
Gebruik zoveel mogelijk manieren om iets te leren: hoe meer zintuigen er geprikkeld worden, des te beter iets in de hersenen blijft zitten. Er worden immers meerdere soorten cellen gebruikt en het leereffect is dus uitgebreider. Dit maakt dat het geleerde sneller is terug te vinden in de hersenen. Tijdens de training moet je dus kunnen zien, horen, voelen, bewegen en misschien zelfs ruiken.
De hersenen vinden het prettig om zelf orde in de chaos te brengen. Informatie is hapklare brokken vinden ze vaak maar saai. En dus helpt het om met de nieuwe informatie aan de slag te gaan: zelf ervaringen uitwisselen, ontdekken, ordenen en presentaties maken.
De informatie moet zoveel mogelijk aansluiten bij de omgeving van de persoon die het moet leren. Maak het zo concreet mogelijk en stel veel vragen om de theoretische stof aan te laten sluiten bij jouw praktijk van het ondernemingsraadslid. Kies een omgeving die niet afleidt, het liefst een rustige en ruimtelijke omgeving.












