Als de productie terugvalt, moeten ook de kosten omlaag en personeelsuitgaven zijn nu eenmaal een belangrijke post op de begroting. Voor or’s is het tijdens dit proces zaak – naast het toetsen van nut en noodzaak – de opvang van de sociale gevolgen uit te onderhandelen, meestal in samenwerking met de vakbonden. Als or-lid wil je in dit soort processen voor je (spoedig oud-)collega’s graag een goed sociaal plan regelen. Maar wat is een goed sociaal plan? En wie betaalt de prijs?
Centraal in de meeste sociale plannen is de ‘kantonrechtersformule’. Deze formule bepaalt, na rato van dienstjaren, maandsalaris en de uit te onderhandelende ‘factor’, het bedrag dat de ontslagen werknemer meekrijgt. Het bedrijf moet dit geld natuurlijk wel kunnen ophoesten, en daar zit vaak de crux. Voor rijke en grote organisaties is het meestal geen probleem een paar ton vrij te maken. Binnen kleinere en minder rijke organisaties hebben dit soort kosten meteen gevolgen voor de continuïteit van de onderneming Een grote extra kostenpost verzwakt immers de financiële positie en dus de overlevingskansen in de komende periode.
Hierin schuilt dus een groot onrecht, terwijl ontslagen werknemers bij grote en draagkrachtige ondernemingen vaak tien duizenden euro’s meekrijgen, moet een werknemer in een klein en minder fortuinlijk bedrijf het vaak met een habbekrats doen. In deze organisaties moeten or’s en vakbonden een duivelse afweging maken tussen de continuïteit van het bedrijf en de kwaliteit van het sociaalplan.
Ik hoop dat deze keuze jullie in dit nieuwe jaar bespaard blijft!




