In 2024 gaf 72% van alle werknemers aan de mogelijkheid te hebben om een vertrouwenspersoon te raadplegen. Voor 10% geldt dat deze mogelijkheid ontbreekt, terwijl 17,5% niet weet of deze voorziening beschikbaar is. Dat blijkt uit de resultaten van de jaarlijkse Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) van het CBS en TNO.
De helft van de werknemers geeft aan dat er binnen hun organisatie een interne vertrouwenspersoon is; dit betreft een medewerker van het eigen bedrijf. Bij 34% procent is er (ook) een externe vertrouwenspersoon aangesteld. Daarnaast weet 16% procent van de werknemers niet of er een interne of externe vertrouwenspersoon is aangesteld.

Vrouwen ervaren vaker ongewenst gedrag
Een melding bij de vertrouwenspersoon wordt bijvoorbeeld gemaakt naar aanleiding van ongewenst gedrag. In 2024 gaf 17% van de werknemers aan in dat jaar te maken te hebben gehad met ongewenst gedrag op de werkvloer. De meest voorkomende vorm hiervan is intimidatie of bedreigingen (12%), gevolgd door pesten (5,5%), ongewenste seksuele aandacht (4,5%) en lichamelijk geweld (2,8%).
Vrouwelijke werknemers krijgen vaker met ongewenst gedrag te maken dan hun mannelijke collega's. In totaal rapporteerde 22% van de vrouwen ongewenst gedrag, tegenover 13% van de mannen. Het verschil is het grootst bij ongewenste seksuele aandacht: 7,3% van de vrouwelijke medewerkers heeft dit ervaren tegenover 1,7% van de mannelijke medewerkers. Ook bij intimidatie of bedreigingen is er een duidelijk verschil: 14% van de vrouwen tegenover 9,6% van de mannen.
Bron: Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2024 (TNO | CBS)













