Vijf vragen over het Nederlandse pensioenstelsel

Vijf vragen over het Nederlandse pensioenstelsel

Grote, complexe reorganisaties. Ze zorgen voor veel stress bij personeel, en ook bij de ondernemingsraad. Want die moet vaak snel advies uitbrengen. Hoe zorg je ervoor dat je toch grip op de zaak houdt?

1. Hoe zit het pensioenstelsel in elkaar?

Het Nederlandse pensioenstelsel bestaat uit drie onderdelen: De AOW, de (collectieve) aanvullende pensioenen via de werkgevers en de individuele aanvullende regelingen.

De AOW is een overheidsvoorziening waaraan alle werkende burgers meebetalen via de loon- en inkomstenbelasting. Ook de overheid betaalt mee.

De aanvullende collectieve pensioenen zijn een zaak van werknemer en werkgever. De werknemer staat een deel van zijn huidige salaris af als pensioenpremie. De werkgever draagt dit over aan een pensioenuitvoerder.

Werknemers kunnen individuele regelingen treffen om hun pensioen aan te vullen. Het gaat dan om bijvoorbeeld een lijfrente of een levensverzekering.

2. Wat doen pensioenfondsen met het ingelegde geld?

Pensioenfondsen beleggen geld dat zij via de werkgevers ontvangen. Het behaalde rendement op deze beleggingen moet er voor zorgen dat met de inleg van nu, de werknemer later een percentage van zijn gemiddelde salaris als pensioen ontvangt. Fondsen beleggen in onder meer aandelen, onroerend goed en staatsleningen.

3. Waarom kwamen pensioenfondsen in de problemen?

Door de val van de bank Lehman Brothers en daaropvolgende vrije val op de aandelenbeurzen vanaf september 2008 daalde de waarde van het belegde kapitaal van de fondsen. Daardoor zakte de zogenoemde dekkingsgraad van veel pensioenfondsen tot onder de 90 procent. De Nederlandsche Bank (DNB) wil dat pensioenfondsen minimaal een dekkingsgraad van 105 procent hebben. Dat betekent dat het fonds voor elke euro aan huidige en toekomstige pensioenverplichtingen 1,05 euro achter de hand heeft.

Veel pensioenen werden tot de financiële crisis geïndexeerd, dat wil zeggen dat ze meegroeiden met de salarisontwikkeling in de betreffende bedrijfstak of onderneming. Verschillende pensioenfondsen stapten daarvan af om de buffers weer op peil te krijgen, andere verhoogden de premie of verlaagden de uitkeringen.

4. Zijn de problemen inmiddels opgelost?

Doordat de meeste fondsen in 2009 besloten niet te indexeren en er in dat jaar een krachtig herstel plaatsvond op de aandelenbeurzen, bleek eind 2009 dat de dekkingsgraden van verscheidene pensioenfondsen al aardig waren gestegen. De meeste pensioenfondsen besloten toch om in 2010 slechts gedeeltelijk te indexeren en in sommige gevallen werd de premie verhoogd.

5. Moeten pensioenfondsen wel beleggen?

Uit recent onderzoek blijkt dat de helft van de Nederlanders vindt dat pensioenfondsen niet moeten beleggen met hun ingelegde pensioenpremies uit angst voor de risico’s. Maar volgens de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen (VB) is dat in feite niet mogelijk. Volgens de VB waren de pensioenen nu 40 procent lager geweest of was de premie 70 procent hoger als we de afgelopen kwart eeuw alleen maar hadden gespaard.

Zie ook:
Het Nederlandse pensioenstelsel
Het Pensioen ABC
Pensioenregelingen in Nederland
Rol OR bij pensioenregelingen

Lees meer over

Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.