Studieregeling

Studieregeling

Grote, complexe reorganisaties. Ze zorgen voor veel stress bij personeel, en ook bij de ondernemingsraad. Want die moet vaak snel advies uitbrengen. Hoe zorg je ervoor dat je toch grip op de zaak houdt?

De feiten

De ondernemingsraad van de Politie Zeeland heeft zijn instemming onthouden aan een voorgenomen
besluit omtrent een studiefaciliteitenregeling. In de voorgestelde regeling is opgenomen dat het reizen naar de trainingslocatie gedurende een half uur per enkele reis in eigen tijd geschiedt.

De Bedrijfscommissie

De bestuurder motiveert het reizen in eigen tijd vanuit de opvatting dat de medewerker zelf belang heeft bij het volgen van Integrale Beroepsvaardigheid Trainingen (IBT). Volgens de bestuurder is de reistijd naar de training te vergelijken met normaal woon-werkverkeer. Bovendien zou het aanmerken van reistijd als volledige werktijd niet mogelijk zijn, omdat dit op capaciteitsproblemen stuit.

De ondernemingsraad is van oordeel dat de gangbare praktijk sinds jaren is dat het reizen wordt aangemerkt als werktijd. De ondernemingsraad acht het niet reëel om een investering in eigen tijd aan de medewerker te vragen, aangezien het gaat om wettelijk verplichte cursussen. Aangezien de medewerker in zijn volledige uitrusting naar de IBT gaat, wordt hij door de burger op straat aangezien als zijnde in functie. Indien een beroep op hem wordt gedaan, dient de medewerker op te treden in bepaalde situaties. Er is dus sprake van werktijd, aldus de ondernemingsraad. De raad betwist bovendien dat capaciteitsproblemen zouden ontstaan als direct gevolg van de reistijden.

De Bedrijfscommissie komt tot de conclusie dat de werktijd aanvangt op het moment dat de medewerker zich van het bureau naar het IBT-centrum begeeft. De werktijd eindigt zodra hij na het volgen van de training wederom is gearriveerd op het bureau om zijn vuurwapen en dienstauto in te leveren. De commissie deelt derhalve het standpunt van de ondernemingsraad dat de reistijd als werktijd dient te worden aangemerkt.

Commentaar

De Bedrijfscommissie dient te beoordelen of de ondernemingsraad onredelijk handelt door zijn instemming aan de regeling te onthouden. Wordt deze vraag ontkennend beantwoord, dan zal de bestuurder met zwaarwegende redenen voor het uitvoeren van het besluit moeten komen.

In deze zaak oordeelt de commissie dat van onredelijk handelen door de ondernemingsraad geen sprake is. Evenmin acht de commissie zwaarwegende redenen aanwezig die de bestuurder nopen tot uitvoering van het besluit. De uitspraak van de Bedrijfscommissie is niet bindend. De bestuurder kan de kwestie aan de kantonrechter voorleggen.

 

Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.