Conflict over werkplek en thuiswerken: werkgever moet derde ziektejaar doorbetalen

Conflict over werkplek en thuiswerken: werkgever moet derde ziektejaar doorbetalen
Beeld: Shutterstock.

Een verschil van mening over het aantal kantoordagen heeft een werkgever een jaar extra loondoorbetaling gekost. UWV oordeelde dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren. De rechter bevestigde dat oordeel. In de zaak speelden de invulling van de werkplek en fysieke aanwezigheid op kantoor een centrale rol.

Dit artikel is oorspronkelijk geschreven door Nicolette van den Hout en gepubliceerd door PW, een zustertitel van VMN Media. Het artikel is bewerkt voor Facto.

In veel organisaties maken afspraken over thuiswerken en kantoordagen deel uit van het werkbeleid. Deze uitspraak laat zien dat zulke afspraken ook kunnen meewegen bij de beoordeling van re-integratie.

Wat was er aan de hand?

De werknemer is sinds 2010 in dienst als projectcoördinator. In augustus 2021 valt hij ziek uit.

Tien maanden later stelt de bedrijfsarts vast dat er structurele beperkingen zijn in de prikkelverwerking, onder meer bij intensief collegiaal contact en omgevingsgeluid. Dat zijn factoren die direct samenhangen met de kantooromgeving.

De bedrijfsarts adviseert dat, als twijfel blijft bestaan over de geschiktheid van het eigen werk, een arbeidsdeskundige kan worden ingezet en eventueel een deskundigenoordeel bij UWV kan worden aangevraagd.

De werkgever vraagt een deskundigenoordeel aan en geeft daarbij aan dat de kantoorruimte is aangepast om prikkels te verminderen.

Discussie over kantoordagen

Voor zijn uitval werkte de werknemer drie dagen op kantoor en één dag thuis. Tijdens de re-integratie wil hij twee dagen thuis en twee dagen op kantoor werken. Meer kantoordagen acht hij vanwege de prikkelbelasting niet haalbaar.

De werkgever wil dat hij, gelet op zijn functie, weer drie dagen op kantoor werkt.

UWV laat weten geen deskundigenoordeel te kunnen geven, omdat er geen geschil is over de arbeids(on)geschiktheid. De instantie verwijst de werkgever terug naar de bedrijfsarts. Die stelt vervolgens dat werkgever en werknemer samen tot een werkbare situatie moeten komen.

Op 1 mei 2023 werkt de werknemer 30 van de 32 contracturen. De uren zijn dus grotendeels opgebouwd, maar het verschil van inzicht over het aantal kantoordagen blijft bestaan.

WIA-aanvraag en loonsanctie

Omdat de werknemer bijna twee jaar ziek is, adviseert de bedrijfsarts een WIA-aanvraag te doen. In dat kader beoordeelt UWV ook de re-integratie-inspanningen van de werkgever.

De arbeidsdeskundige concludeert dat deze onvoldoende zijn. Volgens UWV had inmiddels re-integratie in het tweede spoor (bij een andere werkgever) moeten zijn ingezet.

UWV neemt de WIA-aanvraag niet in behandeling en legt een loonsanctie op. De werkgever moet het loon nog maximaal één jaar langer doorbetalen. Dat komt bovenop de gebruikelijke twee jaar loondoorbetaling bij ziekte.

De werkgever stapt naar de rechter, maar die bevestigt het oordeel van UWV. Zolang het conflict over het thuiswerken niet is opgelost of het tweede spoor niet alsnog wordt gestart, blijft de loondoorbetalingsverplichting gelden.

Meer dan alleen uren

De uitspraak maakt duidelijk dat bij de beoordeling van re-integratie niet alleen wordt gekeken naar het aantal gewerkte uren. Ook de manier waarop het werk is georganiseerd en waar het werk wordt uitgevoerd, kan een rol spelen.

In dit geval leidde het aanhoudende verschil van mening over de kantoordagen tot een extra jaar loondoorbetaling.

Lees de hele uitspraak hier: ECLI:NL:RBGEL:2025:11157.