In piket krijgt de arbeidsinspecteur een melding van een ongeval. Volgens de melding gaat het om een val door een lichtstraat: een werknemer is van 6.5 meter naar beneden gevallen en op een betonnen vloer terechtgekomen. Hij is per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd en daar geopereerd aan zijn heup en rug. Uiteindelijk blijkt de werknemer halfzijdig verlamd geraakt als gevolg van het ongeval.
Werknemer valt van hoogte door lichtstraat
De arbeidsinspecteur gaat direct naar de plaats van het ongeval. Daar ziet zij dat er werkzaamheden zijn verricht aan een schoorsteen die door een storm is beschadigd. Naast de schoorsteen bevindt zich een zogeheten lichtstraat: lichtdoorlatende platen die zorgen voor voldoende daglicht. De arbeidsinspecteur ziet dat een van de platen stuk is.
De aanwezige getuige, de projectleider, vertelt aan de arbeidsinspecteur dat de werknemer door die plaat heen is gevallen. De werknemer was er nog voor gewaarschuwd dat deze lichtdoorlatende platen door veroudering niet draagkrachtig zijn.
De projectleider vertelt verder dat er in iedere werkbus één valbeveiligingset ligt. De werknemer droeg deze valbeveiligingsset niet tijdens het ongeval. De arbeidsinspecteur vraagt de projectleider waar de werknemer de valbeveiliging dan aan had kunnen verankeren. Hier kan de projectleider geen antwoord op geven.
Werkgever moet vallen van hoogte voorkomen
Bij werkzaamheden op daken is het zaak om vallen te voorkomen. Op een hoogte van 2,5 meter of bij bijzondere risico’s, zoals werken boven water of verharde ondergronden, moet de werkgever daartoe valbeveiligingsvoorzieningen treffen. In dit geval heeft de werkgever het valgevaar niet voorkomen. Want:
- Lichtdoorlatende platen zijn meestal niet gemaakt om het gewicht van een volwassen persoon te kunnen dragen.
- Oudere lichtdoorlatende platen worden in de loop van tijd broos, waardoor ze sneller breken.
- Op basis van een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) van de werkplek moet de werkgever bepalen welke persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) noodzakelijk zijn.
- PBM moeten zijn afgestemd op de individuele werknemer en de werknemer moet hierover voorlichting en instructie krijgen.
- De werknemer moet gemotiveerd worden om de PBM te dragen en de werkgever moet toezicht houden op het gebruik ervan.
- Voor PBM bij werken op hoogte zijn voldoende stevige ankerpunten noodzakelijk. Deze ankerpunten moeten minimaal 12 Kilo Newton aan kracht kunnen houden gedurende drie minuten (EN795:2012).
Valgevaar niet voorkomen: € 15.750 boete
Uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van een meldingsplichtig arbeidsongeval en een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet. Want tijdens de werkzaamheden is het gevaar om te vallen niet voorkomen door voldoende sterke en voldoende grote vangnetten aan te brengen op doelmatige plaatsen en wijze.
Evenmin zijn doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt of zijn er andere technische middelen toegepast die minimaal dezelfde mate van beveiliging bieden. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming (volgens de arbeidshygiënische strategie).
De werkgever krijgt een ongevallenboeterapport aangezegd op basis van artikel 3.16, vijfde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Uiteindelijk krijgt hij een boete opgelegd van € 15.750.














