Medezeggenschap, de preventiemedewerker, duurzaamheidsrapportages, hybride werken, het recht op onbereikbaarheid en de meld- en vergewisplicht arbeidsongevallen voor uitleners. Op deze voor het vakgebied arbo belangrijke thema's veranderen er zaken in de wetgeving. In dit artikel gaan we in op wetswijzigingen voor arbo in 2026.
Medezeggenschap en arbobeleid
Medezeggenschap is één van de fundamenten onder effectief arbobeleid in bedrijven. Daarom moeten werkgevers op grond van Europese regels regelmatig overleg voeren met werknemers (vertegenwoordigers). Ook moet de Arbeidsinspectie toezicht houden op de naleving van deze overlegverplichtingen.
Arbowet aangepast
De manier waarop dit overleg in de Nederlandse arbowetgeving was vormgegeven, voldeed echter niet aan de Europese regels. Sinds 1 januari 2026 is daarom de Arbowet op dit punt aangepast. Nu geldt het ontbreken van overleg als een overtreding van artikel 12 van de Arbowet. Daarmee kan de Arbeidsinspectie voortaan handhaven op naleving van de overlegverplichtingen.
De nieuwe regels zorgen er bovendien voor dat de werkgever de medezeggenschap concreter en vaker moet betrekken bij besluiten rondom arbeidsomstandigheden. De werkgever moet de or voortaan raadplegen over alle maatregelen die van wezenlijk belang zijn voor de veiligheid en gezondheid.
Raadpleging over arbomaatregelen
Over welke maatregelen moet de werkgever de or in elk geval raadplegen? Denk aan:
- De aanwijzing van bedrijfshulpverleners (BHV'ers)
- De risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E)
- De inzet van deskundigen zoals de preventiemedewerker, de arbodienst of bedrijfsarts en overige arbo(kern)deskundigen.
- De aanwijzing van een arbodienst. Welke dienstverlening wordt ingekocht, met welke kwaliteitseisen en bereikbaarheid?
Voor deze arbo-onderwerpen heeft de ondernemingsraad instemmingsrecht (artikel 27 WOR). Met de aangescherpte Arbowet heeft de or bovendien de mogelijkheid om voorstellen in te dienen die specifiek gaan over het arbobeleid. Zo kan de or arbo-onderwerpen ook proactief op de agenda zetten.
Hogere eisen aan preventiemedewerkers
Elk bedrijf moet op grond van de Europese regels 'deskundige werknemers' aanwijzen die de werkgever ondersteunen bij het arbobeleid. In Nederland is dat geregeld in artikel 13 van de Arbowet. Deze 'deskundige werknemers' worden meestal preventiemedewerkers genoemd. Zij ondersteunen en adviseren zowel de werkgever als de ondernemingsraad over gezond en veilig werken. In de praktijk zijn preventiemedewerkers echter vaak onvoldoende opgeleid voor hun rol.
Daarom komt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) met een basiseis voor hun deskundigheid. Preventiemedewerkers moeten in de toekomst beschikken over een opleiding op ten minste mbo-niveau, zoals een erkende opleiding Middelbare Veiligheidskunde of Middelbare Arbeidshygiënist.
De or heeft instemmingsrecht bij het aanwijzen van de preventiemedewerker. Daarmee kan hij dus toezien op de deskundigheid van de kandidaat. Zo niet, dan kan de or weigeren in te stemmen met de keuze van de werkgever.
Deskundigheidsniveau
Overigens is het binnenkort verplichte mbo-niveau slechts het minimum. Het is goed denkbaar dat er hogere eisen nodig zijn. Bij de beoordeling van het vereiste deskundigheidsniveau kan de or de bestuurder vragen om een voorstel, gebaseerd op de inhoud van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) en de aard van de risico's.
Er zijn bovendien handreikingen ontwikkeld om het vereiste niveau in te schatten, zoals de Handreiking arbomaatregelen Preventiemedewerker (SER 2020). Daarin staan richtlijnen voor zowel het bepalen van het deskundigheidsniveau als het gewenste aantal preventiemedewerkers.
Overigens heeft 1 op de 6 or-plichtige bedrijven nog helemaal geen preventiemedewerker aangesteld. In zulke gevallen kan de or een klacht indienen bij de Arbeidsinspectie.
CSRD verandert
Eind 2025 heeft het Europees Parlement ingestemd met een versoepeling van de Europese Richtlijn duurzaamheidsrapportage, een zogenoemd omnibusvoorstel.
De oorspronkelijke richtlijn (CSRD) verplichtte bedrijven te rapporteren over een groot aantal onderwerpen op het gebied van milieu en sociaal beleid (waaronder arbo). Deze verplichting zou gelden voor vrijwel alle ondernemingen met meer dan 250 werknemers. Bedrijven moeten daarbij niet alleen rapporteren over de impact van hun bedrijfsvoering op milieu, maatschappij en werknemers, maar ook over de invloed van milieu- en arborisico's op hun financiële prestaties.
Dankzij de richtlijn kunnen ondernemingsraden met een beroep op hun informatierecht de rapportages benutten om meer grip te krijgen op het sociale en milieubeleid van hun onderneming.
Concurrentiepositie
Met het oog op versterking van de Europese concurrentiepositie heeft de Europese Commissie de richtlijn aangepast. De reikwijdte van de CSRD is daarbij beperkt tot grote ondernemingen met meer dan 1.000 medewerkers en een omzet van meer dan € 450 miljoen. Hierdoor is het aantal Nederlandse bedrijven dat onder de rapportageplicht valt gedaald van bijna 4.000 naar 830, waarvan circa 400 in de categorie 'business'. Voor overheidsorganisaties gelden iets andere regels.
Inhoudelijk is er op het gebied van vooral 'sociale' thema's, waaronder arbeidsomstandigheden, weinig veranderd.
Vrijwillige rapportage
De verplichtingen treden in werking op 1 januari 2027. Hoewel duurzaamheidsverslaglegging voor de meeste ondernemingen minder dwingend wordt, is het ook voor organisaties met minder dan 1.000 werknemers van belang om na te denken over vrijwillige rapportage. Investeerders en ketenpartners zullen namelijk wel degelijk geïnteresseerd zijn in de prestaties op het gebied van duurzaamheid. Onder meer om deze te kunnen vergelijken met soortgelijke ondernemingen.
Hybride werken
Veel werknemers werken tegenwoordig hybride, bijvoorbeeld thuis, in internetcafés of op flexkantoren. Bijna 80% van de Nederlandse werknemers werkt (soms) op een andere locatie, waarmee Nederland Europees koploper hybride werken is. Hybride werken stelt echter wel eisen aan de kwaliteit van de werkplek. De Europese en Nederlandse regelgeving is daar nog niet volledig op toegesneden.
Daarom wordt momenteel gewerkt aan een aanpassing van de Europese Richtlijn Arbeidsplaatsen. De belangrijkste voorgestelde herziening is dat duidelijker moet zijn dat werknemers op 'afwijkende' werkplekken dezelfde bescherming verdienen als werknemers op reguliere werkplekken.
Om die reden zou het zaak zijn om de huidige definitie van arbeidsplaats uit te breiden tot thuiswerk en andere off-premises werkplekken. Daarbij blijven incidentele werkplekken zoals cafés of treinen expliciet uitgesloten.
Cliëntenwoningen in de thuiszorg
Verder is het van belang dat de woningen van cliënten, met name in de thuiszorg, óók onder de definitie van arbeidsplaats vallen – ongeacht duur en frequentie van de werkzaamheden in de thuissituatie. Dit verplicht werkgevers aandacht te besteden aan de bescherming van zorgmedewerkers bij het aangaan van een zorgcontract. Daarnaast zou de toegankelijkheid van arbeidsplaatsen voor werknemers met een fysieke beperking moeten verbeteren.
De wijzigingen zullen zeker niet al in 2026 in werking treden. Maar de ontwikkelingen kunnen voor jou als arboprofessional wel aanleiding zijn om vooral de ergonomie van hybride werkplekken met de ondernemingsraad te bespreken. Die kan dit onderwerp ter sprake brengen tijdens het overleg met de bestuurder. Voor een overzicht van de huidige regels zie onze collectie Hybride werken.
Recht op onbereikbaarheid
Een specifiek risico van hybride werken is dat werknemers altijd en overal bereikbaar (moeten) zijn. Dit kan leiden tot een hogere psychosociale arbeidsbelasting (PSA), in het bijzonder werkstress. Niet voor niets stijgt het aantal werknemers met psychische klachten al jaren. Mede daarom bepleitte de Sociaal-Economische Raad (SER) in zijn advies over de Arbovisie 2040 dat er duidelijkheid moet komen over een recht op onbereikbaarheid. In ieder geval verdient de discussie over onbereikbaarheid op bedrijfsniveau meer aandacht.
In de recente reactie op het SER-advies geeft het kabinet-Schoof aan geen stappen te zetten richting een wettelijk recht op onbereikbaarheid. Daarbij wordt verwezen naar de lopende 'sociale dialoog' op Europees niveau over dit thema. Deze discussie loopt al sinds 2021. Het voorstel van Kamerlid Kathmann over een recht op onbereikbaarheid ligt zelfs al sinds 2020 bij de Tweede Kamer.
Gezien de traagheid van de wetgeving kun je als arboprofessional op dit thema optrekken met de ondernemingsraad. Die kan hierover een initiatiefvoorstel ontwikkelen binnen de eigen onderneming. Deze aanpak sluit bovendien aan bij de oproep van de SER.
Invoering meld- en vergewisplicht arbeidsongevallen voor uitleners
Nog steeds overlijden jaarlijks enkele tientallen werknemers door een ongeval op het werk. Opvallend is dat uitzendkrachten relatief vaak slachtoffer zijn van een ernstig arbeidsongeval, met name arbeidsmigranten. Daarnaast bestaat er vaak onduidelijkheid over wie als werkgever ernstige ongevallen moet melden bij de Arbeidsinspectie: de inlener of het uitzendbureau?
Verder is de uitlener onder de huidige wetgeving niet verplicht om na een ernstig arbeidsongeval na te gaan of de inlener maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen.
Dubbele meldplicht
Om te voorkomen dat uitzendkrachten tussen wal en schip vallen, is in juli 2025 een wetsvoorstel ingediend. Dit voorstel verplicht inlenende werkgevers een arbeidsongeval niet alleen te melden bij de Arbeidsinspectie, maar tegelijk bij degene die de werknemer ter beschikking heeft gesteld.
Omgekeerd moet een uitlener een arbeidsongeval van een van zijn uitzendkrachten zelf melden bij de Inspectie. Belangrijker is dat de uitlener bij de inlener nagaat of deze op de hoogte is van het ongeval. En vooral of het bedrijf waar de werknemer werkte voldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen. Dit moet de uitlener bovendien schriftelijk vastleggen.
Het is nog onzeker of het wetsvoorstel voor de dubbele meldplicht in 2026 ongeschonden door de Tweede en Eerste Kamer komt.
Bron: ORnet












